Het Parool 23|06|2012

Fotografie © Jaap de Ruig

Gevangen in Veenhuizen

Gevangenisdorp Veenhuizen was een paradijs voor gedetineerden en hun bewakers. Burgers en boeven leefden er vredig samen. Mariët Meester schreef een boek over deze bijzondere symbiose die voortduurde tot er een hek om het gevang kwam.

 

Schrijfster Mariët Meester zou drie maanden in de oude pastorie van Veenhuizen doorbrengen. Om research te doen voor een roman over dit bijzondere Drentse gevangenisdorp. Nu, zestien maanden later, is ze pas weer thuis in Amsterdam. Zonder roman. Maar met een schat aan verhalen van oud-dorpelingen over de tijd dat het dorp nog was afgesloten voor mensen van buitenaf. Wie niet in de gevangenis zat opgesloten, werkte er wel. Samen met de gedetineerden vormden Veenhuizers een besloten gemeenschap. Tot in 1983 het beleid veranderde waardoor het dorp open ging en hekken de gevangenis juist afsloten van de buitenwereld.                                                                                                    
De generatie die het ontstaan en verloop van de symbiotische relatie tussen gedetineerden en vrije burgers kan navertellen, staat op uitsterven. Toen Meester zich dat realiseerde besloot ze haar roman uit te stellen. In plaats daarvan schreef ze Koloniekak. Leven in een gevangenisdorp. Op basis van de herinneringen van oud-Veenhuizers schetst Meester het leven in de twintigste eeuw in de gevangeniskolonie.

Koloniekak kan je zien als een vervolg op Het pauperparadijs, de bestseller waarin Suzanna Jansen het lot van haar Amsterdamse familie in Veenhuizen beschrijft. Koloniekak begint zo'n beetje waar Het pauperparadijs eindigt. Tot 1920 was Veenhuizen een 'gesticht' voor armen, landlopers, mensen die waren afgegleden. In de twintigste eeuw werden de gestichten gevangenissen.
Meester wandelt in Koloniekak door de geschiedenis vanaf 1920 tot heden. Ingrijpende perioden waren de Tweede Wereldoorlog en de ommekeer in de jaren zeventig toen er zo veel ontsnappingen waren, in één jaar wel honderd, dat de vrijheden van de gevangenen sterk werden gelimiteerd.'

'In Veenhuizen heb je overal gedetineerden om je heen,' vertelt Mariët Meester. 'Aan de achterkant van de pastorie is een kraan die gedetineerden ook gebruiken. Die mensen zeggen heel aardig gedag. Zeker vroeger zag je in Veenhuizen heel duidelijk wie wie was. Iemand droeg een uniform of een gevangenispakje. In Amsterdam kan je maar zo de weg vragen aan iemand die voortvluchtig blijkt. '
Mariët Meester kent Veenhuizen goed, ze groeide er op. Haar vader werd er in 1959 hoofd van de School met de Bijbel. Hoewel haar ouders altijd duidelijk maakten hoe bijzonder het dorp was, was het voor Meester als meisje doodgewoon om een man in een bruin pak op een ladder voor het raam te zien. Dat was een gedetineerde die de ramen kwam lappen. De vrijheid van de gedetineerden ging ver.

Meester beschrijft in Koloniekak hoe gedetineerden koffie en boterhammen kregen bij de huisvrouwen voor wie ze klusjes deden. 'Mensen werden uit het hele land min of meer gelokt om in het verre Veenhuizen te komen wonen en werken. Met zogenaamde emolumenten, een soort cadeaus om de plek aantrekkelijk te maken. Als mijn vader nieuwe onderwijzers zocht plaatste hij als lokkertje in de wervingsadvertentie: gratis tuinman. Die tuinman was een gedetineerde. Een van de mensen die ik heb geïnterviewd vertelde dat een familie uit Amsterdam was overgehaald naar Veenhuizen te komen met de belofte dat er waterleiding zou worden aangelegd. Dat was toen nog een bijzondere luxe. De badkuip die die mensen hadden meegenomen uit Amsterdam heeft zestien jaar werkloos in de schuur gestaan. In 1956 kwam er pas stromend water.'                        

Meester noemt het dorp een soort snelkookpan. 'Alle maatschappelijke gebeurtenissen speelden zich hier geconcentreerd af, binnen een kleine bevolkingsgroep op een beperkte oppervlakte.' De scheiding tussen goed en kwaad werd door de Tweede Wereldoorlog een stuk gecompliceerder. 'Een van mijn bronnen is een meneer die nu 97 is. Hij was boer en vertelde hoe blij hij was met de oorlogsdelinquenten die na de oorlog in Veenhuizen werden opgesloten. Zij bleken erg goede boeren en harde werkers, daar had hij veel aan op de boerderij. Over het algemeen gold in Veenhuizen: als je dagelijks naast oorlogsdelinquenten leeft en met hen samenwerkt, dan kan je het je niet veroorloven constant te denken jij bent een vuile oorlogsdelinquent. Je moet gewoon met ze verder.
Een andere man die bewaker was geweest vertelde dat hij zich rot verveelde. Zijn taak was op te letten of de oorlogsdelinquent Ganzert niet zou weglopen. Ganzert was reclameschilder geweest en had als katholiek gevraagd of hij een plafondschildering mocht maken in de kerk. De bewaker stond met zijn pistool werkloos toe te kijken aan de voet van de steiger. Ganzert liep niet weg, die gaf de engelen op het plafond de gezichten van zijn familieleden.'


Volgens Meester heeft de vervlechting van goed en kwaad haar ontwikkeling sterk bepaald. 'Wij zagen in Veenhuizen altijd dat de zogenaamde slechteriken ook gewone mensen zijn. Wij behandelden die mensen niet anders. Je moet wel zo realistisch zijn en beseffen dat een gevangene wellicht iemand heeft omgebracht. Maar de kern is toch dat ook delinquenten mensen zijn zoals jij en ik.'
Opvallend veel dorpelingen die waren uitgevlogen zijn teruggekomen naar Veenhuizen. En praktisch iedereen die Meester interviewde was erg positief over het leven in het dorp. 'Wonderlijk genoeg hebben inwoners Veenhuizen een beetje als een paradijs ervaren. De plek heeft een bepaalde magie. De omgeving was prachtig. Overal stonden bordjes verboden toegang, de kinderen wisten dat niemand het bos in mocht maar zij mochten het wel. Het was een prachtig natuurgebied zonder truttige bankjes en prullebakken, ideaal om hutten te bouwen. In het boek vertel ik over Piet Mentrop, de zoon van een van de directeuren. Die was er eens verdwaald, dankzij de voor vreemden afschrikwekkende borden wist hij juist dat hij weer op vertrouwd terrein was.'       

Hoewel Meester een fijne jeugd heeft gehad vond zij het ook wel benauwd in de kolonie. 'Er heerste een verschrikkelijke hokjesgeest. Je zag aan kleding of uniform of iemand gevangene was of personeel, rangen waren duidelijk zichtbaar ook aan het type woning dat medewerkers bewoonden. En dan was er ook nog een scheiding tussen openbaren en christenen. Ik was van de christelijke kant en kende de openbaren niet. Pas nu ik er weer even heb gewoond ben ik bevriend geraakt met een man die net zo oud is als ik. Hij woonde vroeger al in het dorp, hoewel er maar duizend inwoners waren, had ik nog nooit van hem gehoord. Het was leuk geweest als we elkaar toen al hadden ontmoet.'